Memories
The heat hit me like a soft slap in the face the moment I stepped off the plane. No air conditioning could compete with that. The air was thick with humidity, exhaust fumes, and a cacophony of sounds that was already there, waiting. I was on my way around the world, it was the very early 1980s. Thailand hadn’t been on my list, I associated it too much with the fading hippie era, but it was the cheapest flight out of Hong Kong, so there I was. The old airport, still lay far outside the city, surrounded by rice fields. Bangkok wasn’t the metropolis it is today. No endless skyline of glass and steel, but a city of low-rise buildings, wooden houses on stilts, and temples that appeared unexpectedly between the traffic. The Chao Phraya River was its artery, brown and slow-moving, filled with longtail boats that roared through the water, leaving trails of smoke as they made their way to rickety piers. On the streets: chaos. Buses, lots of buses, tuk-tuks, even more tuk-tuks, street vendors everywhere, and even more food stalls. It never seemed to stop. Bangkok at night was a different world. Neon lights were beginning to claim their place, but it wasn’t yet a sea of light. In Patpong, soldiers on leave, backpackers, and local night owls mixed in an atmosphere that was both innocent and raw. Though topless serving and dancing had already become the norm. But after just one evening, after seven months of traveling, I felt an overwhelming need for palm trees. No more city, just sea and shade. There was a rumor about a paradise called Ko Samet. Four hours from Bangkok, they said. And the paradise turned out to be real. It’s almost impossible to imagine now, but it truly existed. A handful of bungalows around a small bay, palm trees swaying lazily in the breeze, and a restaurant where a beautiful woman cooked as if she wanted you never to leave. Every week I told myself I would move on. Every week I stayed. Three months later, I figured it was time to see the rest of Thailand. But by then it was already too late. I was hooked. Now, forty-five years later, I’m going back. Perhaps to say goodbye, though you never really know with places like that. I won’t say how many times I’ve been there since. There are still a few places I’ve never seen, or not seen enough. This time I’ll skip Ko Samet. Somporn now lives on the mainland, and all the palm trees are gone. Some paradises exist only in your memory and maybe that’s how it should be. It will be a short visit to Thailand. After that, there are still a few blank spots waiting for me in Malaysia.
Memories
De warmte sloeg als een zachte klap in je gezicht zodra je uit het vliegtuig stapte. Geen airco die daar iets tegen kon doen. De lucht hing zwaar van vocht, uitlaatgassen en de kakofonie van geluiden was er al. Ik was onderweg rond de wereld, het was heel in het begin van de jaren tachtig. Thailand wilde ik overslaan want dat deed mij teveel denken aan de hippy-jaren maar het was de goedkoopste vlucht van uit Hongkong. Het nu, oude vliegveld, lag nog helemaal buiten de stad tussen de rijstvelden. Bangkok was nog geen metropool zoals nu. Geen eindeloze skyline van glas en staal, maar een stad van lage gebouwen, houten huizen op palen en tempels die onverwacht opdoken tussen het verkeer. De Chao Phraya rivier was de slagader, bruin en traag stromend, vol longtailboten die met veel lawaai en nog meer rook hun weg vonden naar gammele aanlegsteigers. Op straat chaos. Bussen, veel bussen, tuk-tuks meer tuk-tuks, veel straathandelaren en nog veel meer eettentjes, het kon niet op. Bangkok ’s avonds was een andere wereld. Neonlichten begonnen voorzichtig hun plek te veroveren, maar het was nog geen zee van licht. In Patpong mengden soldaten op verlof, rugzaktoeristen en lokale nachtbrakers zich in een sfeer die tegelijk onschuldig en rauw was. Al was toples bedienen en dansen al de norm. Maar na één avond wilde ik na een zeven maanden reizen onderhand wel palmbomen zien. Er was een gerucht over een paradijs wat Ko Samet heette. Vier uur rijden van Bangkok. Het paradijs bestond. Je kunt het je nu bijna niet meer voorstellen, maar het was er echt. Een handvol bungalows rond een kleine baai, palmbomen die loom meebewogen met de wind, en een restaurant waar een prachtige vrouw kookte alsof ze wilde dat je nooit meer weg zou gaan. Iedere week nam ik mij voor te vertrekken. Iedere week bleef ik. Drie maanden later vond ik het wel eens tijd om de rest van Thailand te gaan bekijken. Maar eigenlijk was het al te laat. Ik was verkocht. Nu vijfenveertig jaar later ga ik maar eens afscheid nemen. Ik durf hier niet te schrijven hoe vaak ik er geweest ben maar er zijn nog een paar plekjes waar ik niet of te kort geweest ben. Koh Samet ga ik overslaan, Somporn woont op het vaste land en alle palmbomen zijn weg. Sommige paradijzen bestaan alleen nog in je hoofd en misschien is dat maar goed ook. Het wordt een kort bezoek aan Thailand. Daarna wachten er in Maleisië nog een paar witte plekken.