Krung Thep forever

 

Krung Thep forever

Ben weer eens in Bangkok. En dat voelt meteen vertrouwd. Ik hoef niets te zien, niets af te vinken, nergens per se naartoe. De eerste dagen laat ik de stad gewoon gebeuren. Alledaagse dingen. Kijken wat er op mijn pad komt. Er zijn eigenlijk maar drie steden op de wereld waar ik dat kan. Direct ook mijn favorieten; Bangkok, New York en Rome. Ik verblijf in vier verschillende hotels, verspreid over de stad. Een soort zwervend bestaan, maar dan met airco en schone lakens. Iedere wijk een ander ritme, een andere blik. Wat kwam ik zoal tegen? Forenzen die geduldig wachten op een boot bij een klong, alsof tijd hier een andere betekenis heeft. Een buschauffeur die zijn werk even onderbreekt voor een dutje, groot gelijk met 37 graden, denk je dan. Een hotel dat zichtbaar trots is op zijn vergane glorie, en daar ook niets aan wil veranderen. Veel Thaise kitch natuurlijk, een bruidswinkel waar de slippers even aan pumps mogen voelen. En toen die vrouw. Ze stopte, keek me aan, drukte haar hand tegen haar mond en begon zonder aarzeling mijn haar te fatsoeneren. Wild haar heb ik al eeuwen, Jeroen Pauw is het later na gaan doen maar het is wel mijn haar. Toen ze tevreden verder liep, bracht ik het zorgvuldig terug in de juiste wanorde. Daarom hou ik zo van Bangkok, Ik zag plots reclame verschijnen op de richting aanwijs borden, gebruikte een paar van de honderduizenden bromfiets taxi’s met hun duizelingwekkende snelheid en genoot van de devotie van alle Thai bij het Erawan shrine. En tenslotte liet ik me overhalen tot een snelcursus testosteron. “Een dag of vijf,” zei de man. Fluitje!

Bangkok. Ik hoef hier niets te zoeken, ik ben er, dat is genoeg.