Living Lalibello

16-11-2010


Wat een land. Kloosters hoog in de de bergen uit de rotsen gehouwen, waar je alleen met gevaar voor eigen leven naar toe kunt klimmen (daarover later meer) en kerken die minutieus uitgekapt zijn diep in de de aarde. De bovenkant gelijk aan het omringende rotslandschap waarin je afdaalt om te bidden. Een soort omgekeerd Petra in Jordanië. En het zijn geen éénmalige probeersels maar het landschap ligt er mee bezaaid. Ergens rond het jaar 1200 of eerder zijn ze in Lalibelo begonnen met hun droomstad Jeruzalem na te bouwen en te eren. En het is niet zo dat het nu dode bouwels zijn voor de toeristen maar het Christelijke geloof wordt hier intens beleefd en beoefend. Ethiopiërs zijn een trots volk. Trots op hun geschiedenis en hun beschaving. Ze zijn het enige volk van Afrika wat een geschreven taal heeft die nog steeds in gebruik is. Hoe ze hier hun geloof beleven is fascinerend om te zien. Vroeg in de ochtend, op weg naar de kerken, om je heen overal figuren in wit, bijna dansend op weg naar hun Godshuizen. Bij de eerste kerk aangekomen hoor je diepe drums in een vreemd ritme, gezang in de verte, een stem als een moslim Mufti die zijn gelovigen roept. Maar het zijn Christenen. Mensen verdringen zich bij de deuren, staan met hun hoofd tegen gevel en deurpost gedrukt in opperste devotie. Velen lezen stil in een missaal met oeroude teksten. Vele van deze missalen zijn honderden jaren oud. Prachtig in leder verpakt, met illustraties in kleuren die nog steeds helder zijn. Om binnen te mogen moet je je schoenen toevoegen aan hopen sandalen en schoenen. Daar binnen in het bijna duister liggen mensen gestrekt voor oude schilderingen te bidden, slaan zachtjes met hun hoofd tegen de muren, prevelen teksten in een taal uit een ver verleden. In een hoek staat een grote groep mannen, ook allemaal in het wit, met in hun midden trommelaars en mannen met vreemde strijkinstrumenten, ze spelen, ze bidden, ze roepen, ze lachen. De kinderen kijken je smekend aan om op de foto te mogen. Het is bijna heiligschennis.


Lalibella is een dode stad die volop leeft. Mensen komen hier om te sterven. Dicht bij God, dicht bij hun geliefde Jeruzalem. Al is het niet de echte heilige stad hier het is er een stuk vrediger. Een stad verstikt met symboliek, met allerlei verwijzingen naar het heilige land. Weer buiten, na een vijftal kerken doorlopen te hebben, staan op de rotsen, boven hun heiligdommen, honderden mensen te wachten om een kruis te mogen aanraken met hun voorhoofd. Daarna gaan de witte drommen weer langzaam huiswaarts.


Een paar dagen eerder, niet ver van Axum, waren daar de uit de rotsen gehakte kloosters. Hoog, hoe hoger hoe dichter bij hun Heer leek het wel, hadden ze hun meesterwerkjes gekapt. Er zijn er honderden, vele veel te ver van de bewoonde wereld om ze te kunnen bezoeken. Zelf had ik er eentje uitgezocht, Debre Damo, die weliswaar ver van de hoofdweg lag maar het was een mooie tocht ernaar toe. Om in het klooster te komen moest je via een touw naar boven klimmen. Toen we bij het klooster waren volgde eerst een flinke klim over de rotsen naar de wand waartegen je jezelf omhoog moest zien te krijgen. Een hele stoet helpers en hopers op fooien achter mij aan. In mijn eeuwige, jeugdige optimisme had ik niet meer gedacht aan de peesontsteking die al maanden rondspookte in mijn linkerarm. Vol goede moed begon ik aan de klim. Maar al heel snel voelde ik een stekende pijn in de bewuste arm. Op ongeveer 10 meter hoogte gloeide het binnen in mijn arm, en denkend aan de rest naar boven en weer naar beneden, besloot ik te stoppen en weer terug te gaan. Ik had echter niet gerekend op de helpers onder mij. Toen ik stopte klommen er een drietal razendsnel naar mij toe en begonnen mij naar boven te stuwen, te stompen en te persen. Ik maar roepen dat ik naar beneden wilde, zij maar doorgaan en schreeuwen up, up, up. Uiteindelijk won de zwaarste.

 

Geef een reactie