Brandend Zand

23-8-2009


2009-08-23 Rabaul

In plaats van omgeven te zijn door halfnaakte meisjes die ieder moment boven op je kunnen duiken om je de tijd van je leven te schenken (lees Malinowski’s “The Sexual Life of Savages in North-Western Melanesia”), loop ik tot kniehoogte door het lavastof te baggeren. Op mijn gemak reed ik vanochtend naar het airport om bij aankomst het vliegtuig nog net het luchtruim te zien kiezen. De stationschef zag mij aankomen en wist onmiddellijk dat ik die ontbrekende passagier was. Hij nam meteen radiocontact op met de piloot om te horen dat die niet genoeg brandstof aan boord had om nog een start en landing te maken. Hier schijnen dat soort oproepen nog normaal te zijn. De vlucht was opeens een uur vervroegd en daarvan had ik op de hoogte moeten zijn via mijn guesthouse die daarvoor rondgebeld worden. Helaas voor mij en mijn natte dromen bleef ik achter. Geen Trobriand Islands voor mij want de volgende vlucht is pas woensdag. En dan moet ik alweer een ander avontuur gaan beleven. Wat te doen? Hier blijven tot mijn geplande terugvlucht naar Port Moresby over een paar dagen. Of wachten tot het toestel weer terugkomt van de Trobriands en meevliegen naar PM en iets anders organiseren. Naarstig heb ik de timetables afgespeurd en besloten om naar Rabaul te vliegen. Wat rondbellen en alles was in orde. Toen was het nog twee uur wachten op het terugkerende vliegtuig waar ik zo graag ingezeten had op de heenvlucht. Tot mijn teleurstelling kwam het toestel leeg terug. Niet eens één meisje in rieten rokje was meegekomen, de stewardess niet meegerekend, die overigens Terlenka droeg. 

 

Rabaul is het Pompeii van de Pacific. Bij de uitbarsting van de Tavurvur in 1994 is het stadje bedolven onder een twee meter dikke laag lavastof die neerdaalde tijdens de uitbarsting. Die laag stof had het gewicht van beton en alle gebouwen zijn gedurende drie dagen langzaam maar zeker platgedrukt. Behalve één hotel van een paar Australiërs. Die hebben samen met hun personeel drie dagen lang alle stof van hun daken geveegd en zo is het hotel gered. Daar verblijf ik. Het hele stadje had gered kunnen worden als de overheden het niet te druk hadden gehad met het wegjagen van de honderden plunderaars of met het vluchten naar een minder stoffige plek. De Tavurvur staat hier op erg kleine afstand nog steeds te stomen en te stampen. Als vulkaanfreak is het mij een genoegen. De wind staat verkeerd of goed, hoe je het wil bekijken, de as daalt nog steeds gestaag neer. Zo nu en dan schiet er een steekvlam de avondlucht in.

Geef een reactie