Oar (roeispaan)

7-3-2008


Yap Island

Roeispaan, februari 2008
Waar op de wereld word je nog, meteen na de douane, begroet als hier op dit eiland. Ik kreeg een bloemenkrans op mijn hoofd gezet door een heel mooi meisje in een geweldig felkleurig grasrokje. En verder niets. Daarna werd meteen mijn tas uit mijn handen genomen door een diepgebruinde oude man in alleen een, weer fel, blauw lenden doekje die mij naar m’n hotel bracht. Een hut van bananenblad en gras. Geen rokjesgras maar huttengras natuurlijk. En airco. De eerste indruk is helemaal goed. Ik begin meteen maar met een tukje. Ook al een goed teken. Ik ben overigens aangekomen op roeispaan. Zo heet het hier. Die naam hebben ze gekregen toen de eerste westerse bezoekers hier aan land kwamen. De kapitein van dat schip vroeg aan de eerste de beste inboorling hoe het hier heette en daarbij wees hij naar de grond. Daar lag toevallig een roeispaan en dus zei de inboorling geheel naar waarheid “Yap”. Nu heet dus al driehonderd jaar een enorm stuk van onze aarde roeispaan. Zo te zien lijden ze daar niet onder. En eigenlijk is het een eretitel want het zijn de beste kanovaarders en navigators ter wereld. Bestaat er eigenlijk ook een naam voor een kanospaan? Of heet dat gewoon peddel? Sorry ik ben nu eenmaal niet zo van de watersporten. Mislukt met duiken, zwemmen kan ik eigenlijk alleen op mijn rug en de platte knoop lukt ook al niet.


Mijn eerste lunch hier was helemaal O.K. Al weken op eilanden in de pacific en ik had nog geen taro voorgeschoteld gekregen. Toch hèt voedsel in deze streken. Maar nu lag het eindelijk op mijn bord. Overal elders was het vervangen door ‘French Fries’. De rest van mijn leven taro zou ook weer niet hoeven maar dat geldt evenzeer voor patat. Daarna naar het “Visitors Office’. Hier werd ik als eerste gevraagd of ik ook een geruite korte broek bij mij had. Ik vond dit een best leuke vraag maar begreep er natuurlijk geen snars van. Dat werd uitgelegd. De vraag luidde eigenlijk: “Wil jij vrijwilliger zijn op Yap Day.” Over een paar dagen is er hier een groot jaarlijks festival wat Yap Day heet. Daar is van alles te beleven voor de plaatselijk bevolking zoals dans en muziek maar ook kook demonstraties, visnetten maken, manden weven, knopen leren maken (misschien ga ik me wel opgeven), vuur maken en waar ze mij voor nodig hadden: “Recognizing Tourists”. Ik voelde mij vereerd maar heb toch beleefd afgeslagen. Helaas geen geruite short bij me. Daarna veel gelopen over eeuwenoude bestraatte paden. Met heel veel steengeld aan de kant van het pad. Maar daarover later meer. Heb nog wel geleerd dat het gras van die mooie rokjes gemaakt wordt van de hibiscus. Maar dat is dan weer geen gras maar een boom en/of struik. Je kunt daar ook lekkere thee van zetten. Bij het avondeten vond ik dat ik een glas wijn verdiend had. Die smaakte nogal ‘houterig’ en ik vroeg of het Californische wijn was. Dat had ik beter niet kunnen doen. Er kwam na een lange pauze een verhaal dat het “very good Australian Californian wine’ was en even later nog de toevoeging “but the ingredients came from Europe”. Ik heb hem toch maar goed laten smaken.

 

Vanochtend bij het ontbijt kon ik kiezen uit toast met fruit of Elvis Presley Peanut Butter Banana Breakfast. En, ofschoon het niet zo’n goede combinatie is, heb ik toch maar gekozen voor de toast met fruit. Yap is een heel relaxt eiland. Een beetje paradijs is het hier wel. Als je jong bent en vooral als je jong was zoals ik in Uden, Noord-Brabant, droom je wel eens hoe het zou zijn om op een onbewoond eiland te wonen in de Stille Zuidzee. Zo’n eiland met palmenstranden, fruit in overvloed, een warme diepblauwe zee, watervallen en mooie Polynesische meisjes. Of geldt dat dan niet meer als onbewoond? Ik droomde daar wel eens van. En over reizen kon ik buitengewoon goed dromen. Mijn eerste bedrijfje heb ik niet voor niets Travel Mania genoemd. Ach, ze zijn mooi deze eilanden en de meisjes zijn ook heel mooi.  Maar allemaal vijftien. En ik ben bijna vier keer (4x!) zo oud. Als ze ouder zijn dan vijftien komt dat BMI waar ze hiemee in de toptien staan om de hoek kijken. In volle omvang. Maar als ik droom en over zo’n kunstig stenen pad loop zoals nu op Yap, mijn ogen dicht doe . . . dan loop ik tegen zo’n klote palm. Niet doen dus gewoon met de ogen open dromen. Dan droom ik en ben ik zelf weer vijftien en kijk uit over die kleine achtertuintjes van de Leeuweriksweg met uitzicht op Klein Korea, witte noodwoningen die tijdens de Koreaanse oorlog waren gebouwd. Klonk al best tropisch ‘Korea’. Dan maakte ik in plaats van huiswerk lijstjes met de tien boeken die ik mee zou nemen en de tien LP’s en mijn tien favoriete singels. Muziek voerde toen de boventoon. Het was altijd moeilijk om naast The Beatles ook nog aan andere muziek toe te komen. Dat beperkte zich toch wel tot die singles. Is natuurlijk flauwekul want in 1964 hadden die Beatles pas twee of drie LP’s gemaakt of zo. Met die boeken ging ik altijd een beetje laf om. Wilde dan de intellectueel uithangen en maakte een lijstje dat ik ook echt alleen op een onbewoond eiland zou gaan lezen. En uiteindelijk ging zo’n lijstje er dan om om weer eens op te schrijven wie nu je favoriete meisje was om mee te nemen. Dat was soms best nog wel moeilijk. Jeannette stond eigenlijk heel lang bovenaan terwijl ik haar nauwelijks ooit gesproken had. Durfde ik niet. De top drie stond wel vast maar die hadden allemaal zo hun eigen kwaliteiten. Best moeilijk: vijftien.
En nu ben ik op zo’n paradijselijke plek. En het is mooi. En je zou hier echt wel gelukkig kunnen worden. Misschien. Niet alleen, dat niet. En er is ook geen HEMA hier, en die Verkadefabriek met de laatste films heb ik ook nog niet ontdekt. Ja, ze hebben een videotheek met de nieuwste van Jean-Claude van Damme. En, God hebbe onderhand zijn ziel, Una Paloma Blanca kwam ook weer langs. Nog twee nachtjes slapen is het Yap day.

 

Weer een dag waarbij de kilometers in mijn kuiten zijn gaan zitten. Lopen is leuk, vooral hier met een begroeiing die echt alle beschrijving tart, zo mooi. Maar aan een pad moet op een gegeven moment wel een einde komen en daar moest ik vandaag een paar keer lang op wachten. Vanmiddag bij het mannenhuis van Kaaday ontmoette ik Bird. Dacht eerst dat hij Bert heette maar het was echt wel Bird. Hij was een oude mach-mach, een soort medicijnman. Maar ook voorspeller van de toekomst, het lezen van het verleden en gediplomeerd tandarts. En dan was hij ook nog weerman. Niet zomaar een maar hij kon een wind van tyfoon kracht terugbrengen tot een simpel briesje. Ik was zwaar onder de indruk. Hij was er niet rijk van geworden. Nu met al dat internet en die televisie waren mensen zoals hij niet meer zo vaak nodig. Er was geen eerbied meer onder de jongeren. Ik vroeg of ik het even allemaal op mocht schrijven want zoveel kon ik niet onthouden. Terwijl ik alles opschreef in m’n zwarte boekje had hij nog meer kwaliteiten gevonden. Het voorspellen van de menstruatie bij de vrouwen in het vrouwenhuis bijvoorbeeld. En toen ik daar niet zo van onder de indruk was deed hij er nog een schepje bovenop. Hij kon de vissen de boot in praten. Hij werd vaak meegevraagd op nachtelijke vistochten. Hij had achteraf visser moeten worden. Daarin was hij het helemaal met mij eens. Maar het gesprek was ineens afgelopen. Mevrouw Bird verscheen op het toneel en was dan wel heel erg klein maar er kwam een behoorlijk volume uit. Ze had zo te horen wel wat klusjes voor Ti-Ta-Tovenaar. Ze kwam behoorlijk geagiteerd over en sloeg hem nog net niet met haar borsten om z’n oren. Yaperdeflap dat had gekund, ze hadden er de lengte voor.

 

Mijnheer en mevrouw Bird, maar verder ook vrijwel iedereen op het eiland, van jong tot oud, is de hele dag met betelnoot in de weer. Rode smoeltjes alom. En de straat en het pad is natuurlijk ook voorzien van de nodige rode vlekken. Alle mannen en vrouwen lopen met een allerschattigst mandje van riet, kunstig gevlochten, met daarin de betelnoot, de bladeren en de lime  voor het genot. Een genot dat al na enkele keren gebruik een ernstige verslaving wordt. De geneugten van het spul, een lichte, prettige roes blijven bijna geheel achterwege maar je raakt wel behoorlijk over de wap als je niet meer kauwt. Je ziet het overal op de wereld waar dit spul groeit maar hier is het wel heel erg algemeen. Er is eigenlijk niemand boven de twaalf die geen gebruiker is. De noot word met de tanden gespleten, dan besprenkeld met droge lime van koraal gemaakt en daarna in een blad gewikkeld. En dan maar kauwen. En na twintig minuten heb je je bek vol rood sap en dat wordt dan in een stevige straal uitgespuwd. Omdat de bordjes met ‘No Spitting’ weinig meer helpen zijn sommige begonnen met de stoep al bij voorbaat rood te schilderen.

 

Geef een reactie