Jongensdroom

1-2-2008


Hawaii

Vliegend over Groenland zie ik nog altijd alleen maar wit. IJs zover mijn horizon zich nu uitstrekt. Het zal de tijd van het jaar wel wezen, te koud voor Al Gore’s voorspellingen. Naast mij zit een mediatycoon de Nieuwe Revu te lezen. Daarna werkt hij zich door de Panorama. Ik dacht dat het lezen van deze bladen ophield voor je dertigste. Hij heeft zijn bedrijf verkast naar LA waar dit toestel naartoe vliegt. Ik vlieg door. Naar Honolulu voor een uitgestelde nachtrust. Zo’n ‘cozy’ airport hotel.

 

Morgen verder naar Lana’i. Het kleinste eiland van de Hawaiiaanse eilandengroep. Het is veel te ver voor wat ik te zien zal krijgen maar ik moest toevallig in de buurt zijn. Grimmige nostalgie brengt mij naar dit eilandje. Mijn kinderjaren. Voor de tropen heb ik altijd een fascinatie gehad en in mijn kinderjaren hadden wij meer tropen in huis dan de rest van het dorp Uden bij elkaar. Denk ik. Wij hadden twee magische giftige krissen boven de kolenkachel hangen, een op zwart doek geschilderd palmentafereel aan de muur, in 1950 al een boeddhabeeldje op de schoorsteenmantel en mijn moeder maakte gebakken rijst klaar en sajoer lodé. Mijn vader was in Indië geweest, vandaar. Uren kon ik turen naar de kleine zwart-witkiekjes van sawah’s en palmbomen. En legertrucks, maar dat nam ik op de koop toe. Toch was hét symbool van de tropen voor mij een blikje ananas. Ananas. Ik proefde het al als ik het uitsprak. Pineapple vond ik niets want daar zat appel in. Toch stond dat op de blikjes. Dole Pineapple. In 1922 kocht James Dole, de president van de Hawaiian Pineapple Company, het hele eiland op en ontwikkelde een groot deel ervan tot ’s werelds grootste ananasplantage. Dole had gouden handjes. De ananas groeide als kool en de blikjes vonden hun weg over de hele planeet. Inclusief Uden. Van dat conservenbedrijf is weinig meer over op Lana’i. Nu wordt het omschreven als een hemels vakantieparadijs. In de folders. De halve wereld is de hemel volgens bijna alle folders, dus dat neem ik niet al te serieus. Je kunt echter nooit weten. Als je de hemel ergens moet zoeken is het toch op aarde, nietwaar?
Mijn in totaal drie vluchten ernaartoe brengen mij 15.000 kilometer door de lucht. De CO2-uitstoot die hiermee gemoeid is krijg ik niet uitgerekend. De airmiles die ik hiermee verdien zijn veel makkelijker te berekenen.

 

Tikje depressief was mijn gemoedstoestand wel de volgende ochtend. Kwam natuurlijk door de enorme jetlag maar ook, en vooral, door de visuele impulsen die je krijgt als reiziger in Hawaii. Bij alles wat ik zag was de esthetiek buiten schot gebleven. Het airport hotel was op z’n minst mistroostig te noemen, de tocht naar de vertrekhal een bombardement aan lelijkheid en bij de hal zelf moest ik aan de goelag denken, een psychiatrische inrichting ergens in Siberië. Wel met vaste vloerbedekking. Maar daar hebben alle Amerikaanse airports een abonnement op. Gezellig en lelijk hebben daar een pact gesloten. Kortom: de binnen- en buitenhuisarchitecten hadden hun opleiding niet in Nederland gehad. Ik vloog naar Lana’i met een kleine maatschappij die gebruikmaakte van een bijbehorende kleine terminal. Ruim één uur heb ik kunnen genieten van groepjes vertrekkende toeristen naar de diverse Hawaiiaanse eilanden. Bij iedere vlucht werd er tot preboarding opgeroepen voor passagiers met kinderen en voor hulpbehoevende passagiers. Alle oproepen gingen vergezeld van een te pas en te onpas gebruikt ‘Aloha’. Het vreemde deed zich voor dat de veruit langste rij iedere keer gevormd werd door, laat ik er maar een alliteratie van maken, veel te vet volk. Iedere luchtvaartmaatschappij heeft het altijd over overgewicht, nu hier hadden ze het. De rij voor hulpbehoevenden was steeds de langste. Nog ‘lachwekkender’ was de handeling die ze in opdracht van de lieftallige meisjes bij de gate moesten uitvoeren. Het meten van hun handbagage. Je weet wel zo’n rekje waar die tas in moet passen. Die tassen pasten wel, maar hun onderarmen gingen meestal niet door het rekje. Het was een triestmakende vertoning. Driehonderd pond aloha. Met een beetje angst zag ik m’n eigen vlucht tegemoet. Het viel helemaal mee. Ik vloog niet met Air Obesitas. Ik werd alweer een beetje blij. Zei natuurlijk ook iets over dit eiland.
Drieëntwintig minuten later landde ik op Lana’i. Geen Bounty-eiland, dat moge duidelijk zijn. Saai is een goede omschrijving. Een leuk oud, houten hotel, nog gebouwd door de oude Dole; mijn kamer, met veranda en schommelstoel, was op en top nostalgisch. Dat kwam goed uit want het weer was bar en boos vandaag. Zo toch mijn jetlag er het grootste gedeelte van de dag uit geslapen.

 

De dag erna was het opgeklaard. Lana’i, ‘The Pineapple Island’, is nog steeds in particulier bezit. De firma Castle and Cook zijn eigenaar. Zoiets als wanneer John de Mol Texel zou kopen en exploiteren. C&C doen in hotels. Ze hebben er drie hier. Een kleintje stond er al, daar slaap ik, en dan zijn er nog twee enorme resorts waar de gevulde portemonnee slaapt. Er is eigenlijk niets te beleven hier op dit eiland, dus heeft de firma zelf maar van alles bedacht en gemaakt, waaronder vier enorme golfbanen. Verder de bekende mix van al dan niet verzonnen oudheid, zwemmen met dolfijnen (als die zin hebben), schattige zeehondjes op grote afstand, het altijd weer terugkerende scheepswrak en, een Amerikaanse must have, ‘the Valley of the Gods’. Die laatste bestaat hier uit wat afgesleten stenen ter grootte van een flinke kruiwagen. Eenmaal per jaar heb je echt enorm geluk want dan is er het Pineapple Festival. Ik had pech. Castle and Cook hebben er hier nog iets zeer dynamisch bij verzonnen en dat is een ‘flat rate’ busdienst. Op het airport ben je verplicht een buspas aan te schaffen waarmee  je ‘gratis’ vervoerd wordt tussen de hotels. Dat doet iedereen dan ook voortdurend. Er is steeds wel iets wat je niet mag missen op precies weer een andere plek. De kreet op de bussen? ‘Less touristy = More tranquility’. Ik had het zelf kunnen bedenken. Als er iets op van toepassing is dan lijkt mij de term ‘aangeharkt’ nog het beste passen.

Geef een reactie