The Sixt Week

1-10-1999


De 6e Week/Vrijdag 1 oktober

Winkel (F)-Delémont(CF)-Moutier-Solothurn-Burgdorf-Eggiwil-

Kennemeriboden-Brienz 164 km

De zesde week. 

Grüss Gott

 

Een nieuw land, een nieuw lied, dezelfde voeten. Zwitserland blijkt toch een verademing te zijn. Niet tot half acht moeten wachten om te dineren. Een ontbijt dat beklijft. Schone(re) hotelkamers. Minder blaffende honden. Beter eten. En een heel goed 'bewegcijferd' padensysteem.

We vertrokken uit Winkel in de stromende regen, uitgezwaaid door een ouder echtpaar uit Eindhoven die alles over onze tocht hadden willen weten en ons jammer genoeg de vorige avond al om 20.15 naar bed hadden zien vertrekken. Toch vroegen ze ons bij het ontbijt nog de oren van de kop. Onze antwoorden zullen echter een heel eigen leven gaan leiden: ze waren beide behoorlijk hardhorend.

Zoals altijd stopt het weer met regenen en tegen de tijd dat we bij de Zwitserse grens waren was het weer redelijk droog. Alles zag er opeens punktlich uit. Alpenweiden van een postkaart inclusief schoongeboende Milka-koeien, zeer opgeruimde boerenerven met alleen werkende machines en tractoren. In Frankrijk waren op ieder erf alle tractoren en personenauto's van ver voor de 2e wereldoorlog nog min of meer aanwezig. Het leek in alles op een oud sprookjesboek uit Zwitserland wat vroeger bij mijn opa op zolder lag. En zo te zien geloofden al deze Zwitsers nog steeds in deze sprookjes. De grenzen keurig op slot en je erf schoonhouden. Het enige minpunt was eigenlijk dat de Zwitserse boer de kwalijke gewoonte had de mest ook op de paden uit te rijden. Vreemd was ook dat wij, na 5 uur op Zwitsers grondgebied, nog geen bank waren tegengekomen. We liepen die zaterdag naar Delémont. Ter hoogte van het dorpje Mettenbert wachtte ons nog een wat onaangename verrassing. We waren net het Zwitsers padensysteem aan het roemen toen we het spoor bijster raakten. We liepen het ene bergpad op, het andere af. Alleen ingewijden weten hoe pijnlijk dat kan zijn. Uiteindelijk vonden wij een obscuur pijltje dat het struikgewas in wees. Het te volgen 'pad' was niet meer dan een spoor door dichte begroeiing en dan bijna verticaal omhoog. Zelfs de herten die door het woud dartelden bleven even in verwondering staan te kijken naar die twee idioten die zich zwetend naar boven 'werkten'. Bebloed van de doorns en de terug zwiepende takken kwamen we ook hier weer boven en plotsklaps was daar een bankje en een prullenbak. Duidelijk jaren niet gebruikt, maar toch. Toch een beetje trots over de geleverde prestatie vervolgden wij via een binnenplaats van een boerenhoeve onze tocht. Teleurstellend was dat de boer en zijn knecht niet op of om keken dat daar ineens 2 wandelaars uit het niets verschenen. Troostend gaf Alpenpientje, de erfpoes, ons nog een kopje bij het weggaan. Het mooie oude Delémont binnenlopen deden wij wederom in de stromende regen. Gelukkig kwam moeder Philipse, met de trein vanuit Nederland op bezoek, verse sokken brengen en ze had al een hotel gereserveerd. Die avond gezellig bijgekletst en allerlei meegebrachte handige zaken gewogen en te zwaar bevonden. De sokken kwamen overigens wel door de gewichtscontrole. 

 

De zondagochtend, na die moeder naar het station gebracht te hebben, tot een halve vrije dag verklaard. 's-Middags toch nog 15 kilometer naar Moutier gelopen. Weer het pad kwijtgeraakt en toch na een half uur dwalen weer teruggevonden.  Onze bewondering voor het Zwitserse padensysteem wordt wat minder. Het blijft prima aangegeven, als het aangegeven is . . . ! Je moet er alleen vreselijk veel hekjes voor open- en dichtmaken, over klauteren en demonteren.

 

Maandag van Moutier naar Solothurn. Eerst naar de TouristInfo voor nieuwe wandelkaarten en meer info. De dame van de info had echter een 'stille' dag. er kwam weinig geluid uit. Wederom maar een halve dag lopen maar wel een zware. Een 'heuvel' van 1285 meter over. Het weer was geheel op onze hand. Zonnig als het zonnig moest zijn, dramatisch bewolkt op een ander moment. Boven op de top was het „uitzicht Goddelijk. Nu ik het toch over Hem heb: zo'n tocht over oude paden naar Rome wordt, of je het wilt of niet, religieus gekleurd. Je loopt werkelijk van kerk naar kerk, van kapel naar kapel en van kruisbeeld naar kruisbeeld. Heel Europa is nog vergeven van de, vooral katholieke, relikwieën. Er zit zelden een grotere afstand dan een rozenkrans lopen tussen deze soms wel heel bizarre beelden en bouwwerken. De ontkerkelijking kan dan een feit zijn, de sloop van de uiterlijke kenmerken moet, indien nodig, nog beginnen. Het maakt zo'n wandeling naar Rome tot een bedevaart tegen wil en dank. Vandaag nog kwamen er een tweetal heel bijzondere kerkjes op ons pad. Na een vreselijk steile afdaling naar Solothurn kwamen wij pardoes in een smalle kloof terecht met een zeer on-Europees aandoend kerkje. Mexicaans kleurrijk gedecoreerd uit een tijd dat Mexico nog gewoon een Maya Koninkrijk was. Daartegenover een kapel van haast Tibetaans karakter. Bij deze kapel waren op beangstigend realistische wijze enige episodes uit het leven van Christus uitgebeeld. Demonen en afgoden vlogen je om de oren en bij een scène uit het lijdensverhaal lagen zich bezattende en zelfbevlekkende apostelen geheel buiten proporties onder een biddende Jezus die voor hun vergeving smeekte. Het jaar 2000 leek ineens erg ver weg. Hier werden zelfs allerlei offers gebracht in de vorm van voedsel en luxere producten. Gelukkig was daar Solothurn met zijn middenstands herfstbeurs. SOHE was de naam en het trok een hoop volk. Al lopend tussen de stands en stalletjes voelden wij onszelf van een compleet andere planeet komen. Maar ook dat was maar relatief. Ook Solothurn was een erg mooie oude stad. Je kunt wel zien dat de Zwitsers het neutraal blijven tot kunst verheven hebben. Je ziet zelden van die mooie gave oude binnensteden waar geen enkele oorlog ooit overeen is geraasd. Het avondeten in het opvallend moderne Baselturm Restaurant was overigens van, voor ons inmiddels, heel hoge kwaliteit. 

 

Van Solothurn liepen wij naar Burgdorf. Een prachtig pad wat ons vrijwel geheel langs de Emme voerde. En de Emme stroomt, dat kan geen grote verrassing zijn, door het Emmental. Jullie allen bekend van de Emmentaler die, in ongeveer 600 voor Christus, de Emme en de Rijn afzakten als Batavieren om ons Vaderland binnen te trekken. Daar hebben ze toen de inwoners van Edam, Gouda, Komijn en Leerdam het kaasmaken bijgebracht. Het pad langs de rivier was zo gemaakt dat je de hele dag alleen op de wereld door de natuur liep. Je kwam ook bijna in het centrum van Burgdorf pas weer in de bewoonde wereld. Precies bij de tourist information. Het lijkt erop dat de spraakgehandicapten hier goed verzorgd worden; en allemaal bij de plaatselijk VVV terecht komen. In Solothurn hadden wij er eentje die de taal in het geheel niet machtig was, hier in Burgdorf zat er een die vreselijk slissste. En dan begon ze tot overmaat ook nog over de Schnee die gevallen was waardoor wij zeker de bergen niet meer overkwamen. Het hotel wat ze ons aanbeval was echter wel heel aangenaam. Ook Burgdorf was weer mooi, al waren wij te moe om er ten volle van te kunnen genieten. Toch nog de moed voor een sightseeing wandelingetje gevonden.

 

De volgende ochtend nog even langs Slissy, de Infokeizerin van Burgdorf, voor een hotellijst van de rest van het Emmental. Het is vandaag onze 40e dag en we lopen weer eens vol energie. Weer eindeloos langs de Emme. Een prachtig heldere rivier met tal van kunstmatige stroomversnellingen maar ook soms een mooi natuurlijk

verloop. Het regent eigenlijk de hele dag. Alleen voor onze lunch is het even droog. We konden kiezen tussen twee lunchplekken. Lützelflüh vonden wij iets beter bij het devote karakter van de reis passen dan Kuttegang. We kruisen verschillende keren de rivier via oude overdekte houten bruggen. Als we tegen 3 uur bij onze geplande overnachtingsplaats komen vinden we het te vroeg om te stoppen. Overmoedig als altijd besluiten wij tot Eggiwil door te lopen. Natuurlijk is 32 kilometer weer veel te ver maar een lekker maal in een sfeervol hotel maakt veel goed.

 

Donderdagmorgen laat op gang. Om 09.15 lopen wij pas. Weer een mooie tocht. Over Alpenweiden, langs de schilderachtigste chalets die Zwitserland te bieden heeft. Met een bloemenpracht waarbij de Keukenhof verwordt tot niets meer dan een keukenhof.

Wij bereiken de 1000 kilometer mijlpaal als we door het prachtige Pfaffenmoos lopen ter hoogte van Scheidback. Tegen de middag begint het regenen.ì Dat gaat geleidelijk over in stortregenen. Wij lunchen op een bankje onder een afdak. Voor ons op een driesprong van wegen wordt een stierenmarkt gehouden. De tijd lijkt te hebben stilgestaan. Mannen in klederdracht met grote vilten hoeden bekijken met kennersogen de dieren die door jonge boeren rondgeleid worden. Het is moeilijk te zeggen welke van de twee soorten er het potentst bijloopt. Alles vindt plaats in stilte. Alleen de regen en de hoeven van de stieren maken geluid. Dit is echt een andere wereld. Wij voelen ons pottenkijkers (worden overigens ook zo bekeken) en lopen door. Wij moeten wel. Morgen wordt een zware dag en het weer ziet er niet best uit. De paden zullen er niet beter op worden. Door een waas van regen worden de laatste 9 kilometer over de weg afgelegd. Vrijwel alleen onderbroken door het voorbijrazen van de halfuurbusdienst naar onze eindbestemming . . . Kennemeriboden. Waar we toch nog vrij vrolijk aankomen om kwart voor vier. Het is een prachtig hotel aan het eind van het dal. Plotseling klaart het op en kunnen we goed zien waar we zijn. Het licht is betoverend. Machtige bergen omringen ons maar de op de kaart onheilspellend uitziende bergwand waar we morgen overheen moeten is nog niet te zien. Door deze opklaring hebben wij weer hoop op beter weer voor morgen.

 

's-Morgens regent het echter weer. Een bergpadbord geeft aan dat het 6.40 uur lopen is naar Brienz over de Wannenpas. Dat valt mee. Er hangen grote wolken tegen de bergen. Toch heeft de lucht ook open plekken. We lopen langs het laatste stuk Emme. Het verval van de rivier is hier groot. Soms stort het water tientallen meters naar beneden. We stijgen snel. Het pad ziet er goed uit: een breed karrenspoor met kiezels. Plotseling zien we het bergpadteken aan de, voor ons, verkeerde kant van de boom staan. We moeten het prikkeldraad over (waar ik een duikeling maak en ergens tussen spagaat en een moeilijk beschrijfbare houding blijf hangen) en een zompig 'pad' volgen tot een bos. Vol optimisme lopen wij loodrecht het bospad op. Alles is nat en modderig en binnen de korstte keren is er geen pad meer te herkennen. Links en rechts van ons vallen riviertjes naar beneden en we lopen maar lukraak naar boven in de hoop dat het bos eens zal ophouden. Aan alles komt een eind, dus ook aan dit bos. We zijn eruit, maar daar is alles mee gezegd. In de steile weidevelden gaan we op zoek naar ons pad. We vinden een bordje, zijn dolblij, maar weten dat gezien de staat waarin het bordje zich bevindt dit eigenlijk niet ons pad kan zijn. We bevinden ons in de wolken. Steeds denken we een spoor van een pad gevonden te hebben. Steeds loopt het op niets uit. Als mensen hoeven hadden konden we kiezen uit tientallen duidelijke paden. Maar schoenzolen kunnen we niet ontdekken tussen de vele sporen. Was ik maar Witte Veder*. Na ruim 2 uur dwalen komen we bij een hut die op de kaart zou kunnen staan. We zitten nog steeds in een dik wolkendek en moeten alles vrijwel op de tast doen. En dit is geen overdrijving. Ons zicht is nauwelijks 2 meter. We komen tot de conclusie dat dit de verkeerde hut is en besluiten ergens lukraak af te dalen. Dan ineens breekt de lucht open en in een glimp zien we ergens diep onder ons een boerderij. Erop af. Voor we beneden zijn is het vrijwel opgeklaard. Alles ziet er even mooi uit, alleen wij lijken verzopen katten, helemaal onder de modder en doorweekt. Bij de boerderij is een wel erg vrolijke boer zo vriendelijk ons de goede weg te wijzen. We blijken er op te staan. We vragen raad over de pas en krijgen een ons al bekend antwoord. "Het is mogelijk, maar het kan drassig zijn. Je kunt beter een paar kilometer doorlopen. Daar is een kabelbaan naar boven en een trein naar beneden." Wij, dappere dodo’s, opteren voor het pad. We kwamen ook Franz-Jozef nog tegen. Zo’n figuur die met Meindel’s aan geboren wordt. Hij stelde wel  eindelijk onze hoogtemeter juist in. We zouden hem daarvoor nog dankbaar zijn deze dag. Ik draag deze tocht een horloge, annex wekker, annex snelheidsmeter, annex stopwatch, annex nog veel meer en annex hoogtemeter. Merk Sumo of iets dergelijks. De verkoper van Bever Sport in Eindhoven vond het niet nodig een verdere uitleg te geven. Als een volleerde videorecorder verkoper stelde hij mij geheel gerust omtrent de vele functies: een kind kan de was doen. Als kind had ik al moeite met de Meccanodoos en als volwassene kan ik zelfs mijn huis-tuin-en-keuken horloge niet gelijk zetten. Het vervolg van onze tocht was de meest dramatische episode tot nu toe. Het begon met een wilde stier die op ons af gestormd kwam en slechts enkele meters voor ons met een donderend geraas tot stilstand kwam. Achteraf heeft het dier ons willen weerhouden van onze verdere klim. Vervolgens kwamen we Wilhelm Tel tegen die ons stoer meedeelde dat het tot de pas slechts een half uur lopen was als wij het pad zouden volgen. Wilhelm leek 60 maar zal wel tweeëntachtig geweest zijn. De laatste keer dat hij dit pad beklom moet ergens in het begin van de vorige eeuw geweest zijn. Het pad was niet meer. Enige waaghalzen hadden voor ons wat stenen rood-wit-rood geschilderd. Dat waren onze bakens. Toen we aan de werkelijke berg begonnen betrok de lucht. De pas werd door wolken bedekt. Dat was geen goed nieuws maar visueel wel prettig. De aanblik van de steile wand boven ons was niet erg bemoedigend om steeds te zien liggen. We pauzeerden voor het eerst deze dag om wat te eten. We waren nauwelijks gevorderd en toch al vele uren in touw. Het was koud. Na de karige lunch was het hup met de geit, naar boven. Lopen was een groot woord voor onze bezigheden. Kruipen, omhoogglijden(!), klimmen, vallen, wegglijden en vooral dapper blijven. Omkijken, laat staan opzij kijken was niet aan de orde. Omdraaien was in het geheel geen optie. Voor geen goud gingen wij 1 meter terug die wij net geklommen waren. We kenden het 'pad', vandaar. Tegen de bergwand geplakt werkten wij ons naar boven. Een centimeter of 3 naast de plaats waar we onze schoen neer trachten te planten was een afgrond van enige honderden meters. Soms zag je de grond onder je voeten openscheuren. We durfden elkaar nauwelijks aan te kijken. Naar elkaar een beetje gemaakt lachen leek de beste oplossing. Beide waren wij het bangst voor de ander. Met moeite bracht ik er de eerste regels van Edelweiss nog uit. Verschillende keren gleden wij op de spiegelgladde wand een paar meter naar beneden. De zware rugzakken waren ook al geen pretje. Het weer klaarde echter een beetje op en dankzij de hoogtemeter hadden wij een idee waar wij ons op de bergwand bevonden. Zwitsers noemen dit een pad! Dat bleek toen we uiteindelijk na bijna 2 uur boven op de Wannenpas aankwamen. Daar stond een bord! Het was een wonder dat we  nog rechtop liepen. Maar de beloning was grandioos. Het was ineens kraakhelder. Een groot deel van de Alpentoppen lagen voor ons. Diep onder ons het Emeraldgroene meer van Brienz. Het was onwezenlijk, vooral het feit dat wij daar stonden. Dat wij dit gehaald hadden. We wisten nu in ieder geval dat er wel eens mensen via de Wannenpas gelopen hadden en dat wij dat nooit meer zouden doen. De afdaling leek zelfs een beetje glooiend te zijn. Nog steeds geen pad maar na wat we meegemaakt hadden leek alles simpel. Een beetje vreemde beschrijving voor een afdaling waarbij je het grootste gedeelte zittend en schuivend af moest leggen. Maar aan alles komt een eind dus ook aan deze beproeving. Ondanks alle ontberingen en angstige momenten was het een machtige dag. Doodmoe daalden wij in 3 uur af naar Brienz. We hadden bijna continue gelopen van 8.30 tot 19.00 uur. Mijn benen leken kapot. Inmiddels weet ik dat dat de volgende dag weer een stuk beter voelt. Toch wil ik deze week eindigen met een woord voor onze jongere lezertjes: Zoals wijlen Franz Lehar al zong "Schön ist die Jugendzeit, aber die kommt nicht mehr"

Jean

 

 

Er was eens een meisje uit Veghel. Tot pakweg haar 28ste jaar had zij vaak last van doodsangst, wat eigenlijk levensangst was. Gaandeweg sloeg dat om in een enorme levenslust en in haar 34ste levensjaar, aan het eind van de 20ste eeuw, besloten zij en haar man een voettocht naar Rome te gaan maken. Inmiddels had zij er meer dan 1000 kilometer opzitten en bevond zij zich in de Zwitserse Alpen.

Na dagen van regen waren de paden zompig en soms zelfs niet meer herkenbaar als zijnde pad. De bergen waren ruig, de luchten onheilspellend en haar voeten opgezwollen. Onlangs nog had ze plotsklaps een blaar op haar hiel, ter grootte van een ballon, met 9 speldenprikken lek moeten prikken. Achter haar een tocht van 6 weken die haar scheidden van haar vrienden, familie, huis en haard. Haar lichaam beurs van de Wannenpas waar zij nóóit weer overheen zou lopen, kruipen, glijden of wat dies meer zij. Vóór haar nog meer bergen om te trotseren. Maar naast zich wist zij haar geliefde en in zichzelf had ze een ongekende flexibiliteit, humor en openheid ten aanzien van het leven ontdekt. En zo nu en dan mocht zij een glimp opvangen van het grote geluk dat vrij is van lijden en de oorzaken van lijden. Karin

P.S. Voor Jos de Jong: Het is wannENpas zoals in tandENpasta.

 

Geef een reactie